Het was in de zomer van 2014 toen ik mijn eerste echte studentenjob kreeg bij een lokaal distributiecentrum in Gent. Ik herinner me nog goed dat ik dacht dat elk verdiend uur direct op mijn spaarrekening zou belanden. Mijn vader, die altijd erg nauwkeurig was met zijn administratie, zette me echter aan de keukentafel met een kop koffie en een rekenmachine. «— Luister goed,» zei hij, «werken is goed, maar werken zonder de regels te kennen kan je ouders geld kosten.»
Hij legde me uit dat ik niet zomaar onbeperkt kon werken. In die tijd waren de regels nog strikter dan nu, maar het principe bleef hetzelfde: als ik te veel zou verdienen, zou ik niet meer 'ten laste' zijn van mijn ouders. Dat betekende dat zij meer belastingen zouden moeten betalen omdat ze de fiscale aftrek voor een kind ten laste zouden verliezen. Dit was een eye-opener voor mij; mijn bijbaantje had directe gevolgen voor het gezinsbudget.
Die zomer leerde ik niet alleen hoe ik pakketten moest sorteren, maar ook hoe ik mijn uren moest bijhouden in een simpel schriftje. Ik moest er nauwgezet op letten dat ik niet over de toenmalige uurgrenzen ging. Het was mijn eerste kennismaking met de Belgische bureaucreatie, maar het gaf me ook een gevoel van verantwoordelijkheid. Ik begreep dat financieel beheer niet alleen gaat over uitgeven, maar ook over het begrijpen van de wettelijke kaders waarin je opereert.